20 Grietje Keller
ton_van_eck
boscherotique_3
2 Saskia Wieringa
parijs_bij_nacht
barger_preekstoel
curacao_5
calcutta_2
Federatie-2-2029
haenen_05a

2002: Vrouwen in Afrika

Attention: open in a new window. PDFPrintE-mail

x

Situatie van vrouwen in Afrika

2002: in Man Vrouw Zorg: 9e International Women and Health Meeting
‘De situatie van vrouwen in Afrikaanse landen is schrijnend’


Inleiding

Inleiding

Marlies Bosch bezocht voor het tijdschrift Man Vrouw Zorg (Transact) in 2002 de 9e International Women and Health meeting in Toronto. Omdat huiselijk geweld, voortplantingsrechten en de invloed van het milieu op de gezondheid van vrouwen over ter wereld spelen, waren dit de thema’s op deze internationale gezondheidvergadering voor vrouwen. Vooral in Afrika bleek de toestand voor vrouwen op meer fronten niet rooskleurig. Zij nam meteen de kans waar om met Jan Richardson, jarenlang werkzaam in een Lijfhuis voor vrouwen, te praten over getraumatiseerde hulpverleners.


In de afgelopen 27 jaar heeft een internationale beweging van vrouwen zich met grote regelmaat sterk gemaakt voor de verbetering van de gezondheidstoestand van vrouwen wereldwijd: de International Women and Health Meeting (IWHM). Politiek bewuste activisten verzamelden zich op gezette tijden op diverse plaatsen om gezamenlijk manifesten te produceren waarvan zij verwachtten dat ze van invloed zouden kunnen zijn op het politieke - en daarmee ook sociale - klimaat in vele landen.
Met nadruk spreken de organisatoren van de IWHM van een ‘meeting’, een vergadering, en niet van een conferentie of congres. Dit omdat het erom gaat elkaar te informeren over situaties op het gebied van gezondheid in diverse landen, en daar samen politieke actie aan te verbinden. Solidariteit met elkaar is daarom een van de pilaren waarop de IWHM rust.
Door de jaren heen hebben inmiddels negen van deze ontmoetingen plaats gevonden. Bij de eerste twee vergaderingen, in 1975 en 1978, waren uitsluitend Europese vrouwen aanwezig. De legalisering van abortus was toen het hoofdthema. Tijdens de vergadering in Amsterdam in 1984 werd het recht van vrouwen op voorbehoedsmiddelen en abortus op schrift gesteld.


Mutilatie genitaliën

Dit jaar vond van 12 tot 17 augustus in Toronto de negende vergadering plaats. Thema’s dit keer waren: huiselijk geweld, voortplantingsrechten en de invloed van het milieu op de gezondheid van vrouwen. Of je nu in Senegal of in Canada woont, deze thema’s spelen overal ter wereld een belangrijke rol in de levens van vrouwen zoals bleek in de workshops en panels. Ik werd geconfronteerd met informatie over huiselijk geweld, geboortebeperking en voorbehoedsmiddelen, maar vooral over verminkingen die kleine meisjes worden aangedaan omdat de cultuur in sommige Afrikaanse landen dat voorschrijft.
Tijdens de presentatie van Diakite Zeinabou Disibeuit Mali over de mutilatie van genitaliën van meisjes en vrouwen in haar land, gingen een aantal kleurenfoto’s rond waarop de desastreuze gevolgen van vrouwenbesnijdenis overduidelijk te zien waren. We zagen beelden van een pasgeboren baby die eruit zag alsof het een doodgebloed lijkje was: omdat het zich met veel pijn en moeite door een dichtgenaaide vulva had moeten dringen, was het besmeurd met bloed. Er waren ook foto’s van kleine meisjes met volledig vervormde genitaliën, die hen hun hele leven veel pijn zullen bezorgen.
Ik fotografeerde de beelden, maar pas ‘s avonds kreeg ik de foto’s levensgroot op mijn computer te zien. Bij het zien van deze beelden, keerde mijn maag zich om. Natuurlijk ken ik het boek van Alice Walker, Het geheim van de Vreugde (1988) en heb ik over de praktijken van het wegsnijden van de clitoris en schaamlippen gehoord en gelezen. Maar als je de gevolgen met eigen ogen op foto’s ziet, en als je van een vrouw uit Mali hoort hoe vrouwen dagelijks lijden door deze verminkingen, dan krijgt het verhaal uit de krant of van de tv een andere dimensie.

besnijdenis

Jan Richardson

Plaatsvervangend trauma

Op het congres sprak ik Jan Richardson. Ze is professor aan de University of Western Ontario, en was 17 jaar lang directeur van een Blijfhuis. Tevens werkt ze in het Centrum voor Onderzoek naar Geweld tegen Vrouwen en Kinderen. In samenwerking met Health Canada, schreef ze een boek over ‘Vicarious Trauma’: Plaatsvervangend trauma: een handleiding voor hulpverleners die zich voornamelijk bezighouden met geweldslachtoffers. Volgens Richardson kan deze vorm van stress zich razendsnel binnen een team verspreiden. Vaak begint het met één persoon, maar al gauw heeft iedereen er last van, en maken intolerantie, achterdocht, frustratie, en cynisme ten opzichte van elkaar, het werk onmogelijk.

Jan Richardson: ‘Het is voor een hulpverlener die dag in dag uit te maken heeft met de emoties bij een verhaal wezenlijk anders dan voor een brandweerman die een ongeluk bijwoont. Toen ik directeur van het Blijfhuis was, zag ik wat er met sommige hulpverleners gebeurde. Er was een duidelijk verschil met het bekende “burn-out” syndroom. Nadat ik ervaring had opgedaan met de methode waarmee een team met dit plaatsvervangend traumatiseren om kan gaan, heb ik Health Canada bereid gevonden om dit boek te sponsoren. Het is daarom gratis verkrijgbaar. Ik werk met het Nationale Adviescomité voor hulpverleners die met slachtoffers van geweld werken. In het boek vallen de ervaringen vanuit het veld samen met adviezen over het voorkómen of aanpakken van dit fenomeen.’

‘Wat een grote rol speelt bij hulpverleners die met dit probleem kampen is schaamte. Ze hebben immers een gedegen opleiding gevolgd om met problematiek van anderen om te gaan, en nu betrappen zij zichzelf erop dat ze door het aanhoren van de vele ervaringen plaatsvervangende traumatisering hebben opgelopen. In hun eigen optiek is dat beschamend. Maar het ligt niet aan hen, het is de organisatie die tekort schiet in de opvang van deze hulpverleners.’
‘We moeten samen een plan van aanpak bedenken dat gebaseerd is op gender specifieke analyse. Veel te vaak is het werk met daders en slachtoffers niet gebaseerd op deze analyse. Vaak roepen de ervaringen op het werk ook persoonlijke drama’s op, en dan komt de hulpverlener in een spiraal, voelt zich hopeloos en moe. Gaat een organisatie aan de gang met ondersteuning van teamleden, dan zet de verandering in. Supervisie is daarbij een middel, maar in mijn optiek wordt het toch te vaak te klinisch gebruikt: het gaat dan alleen om de casussen van cliënten en niet om de reactie van de hulpverleners zelf.’

‘Plaatsvervangend trauma heeft invloed op alle aspecten van het leven van een hulpverlener: de persoon zelf is veranderd, maar ook de relatie tot familie en vrienden. Het gevoel van veiligheid kan verdwenen zijn. Er zijn hulpverleners die niet meer naar geweld op de televisie kunnen kijken. Ook gebeurt het dat de naaste omgeving niet begrijpt waar deze persoon dagelijks mee bezig is en zijn of haar rol in het hulpverleningsproces gigantisch onderschat. De familie heeft er meestal geen benul van wat vrouwen thuis of tijdens de oorlog wordt aangedaan, en praat daar dan bagatelliserend, soms zelfs seksistisch over. Dat is zeer frustrerend. Als hulpverleners, die zelf gelovig zijn, een cliënt hebben die door een priester zijn misbruikt, kan dat het eigen geloof een flinke deuk geven. Kortom: ons werk verandert ons wezen.’

Jan Richardson
Jan Richardson


Cynisme

‘Dit werk heeft ook mijn leven veranderd. Mijn sociale netwerk is totaal anders dan vroeger. Ik heb nu weinig vrienden, maar ik weet dat die geen seksistische opmerkingen zullen maken, ze begrijpen de impact van geweld. Verder ben ik een nieuwsgierig mens, hoor graag over andere culturen en voedsel en levenstijlen. Die interesse heeft een nieuwe wereld voor me geopend, waardoor ik meer zicht kreeg op wat vrouwen meemaken in verschillende culturen, landen, en met verschillende achtergronden.’

‘Wel ben ik banger geworden voor mijn 22-jarige zoon in deze wereld vol geweld. Een tijdlang ben ik bijna dwangmatig met zijn welzijn bezig geweest. Toen hij tien was, legde ik condooms in zijn kamer, gewoon om zeker te zijn dat hij geen Aids zou krijgen. Natuurlijk weet ik dat dit míjn angst is, hij moet gewoon kunnen leven. Die angst is het gevolg van plaatsvervangend trauma. Het zijn kleine dingen die we eerst niet doorhebben, maar op een hoop gegooid en verzameld blijken ze een enorme impact te hebben op onze persoonlijkheid. Het verhaal van een getraumatiseerde vrouw kan ons dan zelfs vervolgen als we een dag vrij hebben en in het park van de zon willen genieten. Dat is een te invasieve impact van het vak op het leven van een hulpverlener.’
‘Iets dat me echt zorgen baart is het moment waarop collegae bitter en cynisch gaan doen. Zo van: “Vrouwen!! We hebben vijftien vrouwen opgevangen nadat ze bij hun gewelddadige partner zijn weggelopen, en alle vijftien zijn ze weer naar hem terug gegaan. Dus: wat is de zin van ons werk?” Dat is het moment om stil te staan en een manier te bedenken om daar goed mee om te gaan.’

Jan Richardson geeft gemiddeld eens per maand een lezing over “vicarious trauma”, en verzorgt workhops voor instellingen die hier actief mee aan de slag willen. Ze gaat ervan uit dat het niet moeilijk is om een instelling te veranderen. Daarvoor is vooral nodig om de manier waarop supervisie plaatsvindt zodanig aan te passen dat het persoonlijke proces van hulpverleners uitgebreid aan de orde komt. Zij wijst hulpverleners er met name op dat het belangrijk is om de naaste familie en vrienden over hun werk te vertellen; zo gaan die zich ook betrokken voelen. Een instelling zou bijvoorbeeld eens per jaar een rondleiding door het gebouw kunnen organiseren, of een familiepicknick met alle teamleden en hun familie. Daardoor wordt het werken met slachtoffers van geweld transparanter voor de omgeving van de hulpverlener. ‘Werken aan het omgaan met plaatsvervangend trauma gaat niet om het veranderen van een organisatie, het gaat om de gezondheid en het welzijn van de teamleden’, aldus Jan Richardson.

Ourbodies Ourselves

Interne vergaderingen

Na de workshops en panels organiseerden diverse groepen hun eigen vergadering. Het Boston Women’s Health Book Collective zette de vorig jaar in Utrecht ingezette weg voort door te spreken met vrouwen die in hun eigen land met de vertaling of bewerking van Ourbodies Ourselves bezig zijn. Het Global Fund voor Women gaf raad hoe fondsen te werven aan organisaties die geld nodig hebben om hun politieke acties te ondersteunen. Erg enthousiasmerend was de oproep van de oprichter van deze wereldwijde organisatie, Anne Firth Murray. Volgens haar begint fondsen werven met je mond opendoen en vragen: begin gewoon met je naaste familie en breidt het uit naar vrienden. Iedereen kent immers wel iemand die geld over heeft voor een ideëel doel?

Women’s Global Network for Reproductive Rights (WGNRR) uit Amsterdam, actief sinds 1978 en met ongeveer 1700 leden in 157 landen, gaf niet alleen een workshop over het recht op geboortebeperking voor vrouwen uit Afrikaanse landen, maar organiseerde daarnaast een discussie tussen haar leden. De WGNRR is gebaseerd op de kracht van haar eigen netwerk. Het netwerk staat wereldwijd in contact met elkaar en ondersteunt elkaar bij problemen rondom alles wat met vrouwen en voortplanting te maken heeft, zoals de verminking van meisjes, voorbehoedsmiddelen, abortus en Aids. Solidariteit is een belangrijk onderdeel van hun ideologie. De WGNRR gaat ervan uit dat iedere vrouw het recht heeft om zelf te bepalen of en wanneer ze kinderen wil. Sociale, politieke en economische omstandigheden van vrouwen zouden in de hele wereld zó moeten zijn dat alle vrouwen dezelfde rechten hebben. Na de ledenvergadering werd een gezamenlijk manifest over de rechten van vrouwen en voortplanting opgesteld.

Ook gedelegeerden van Afrikaanse landen kwamen bij elkaar om hun situatie te bespreken, waarna een manifest werd opgesteld dat op de slotceremonie werd voorgelezen. Juist in de Afrikaanse landen is onlangs een seksschandaal boven water gekomen dat het afgelopen jaar veel stof heeft doen opwaaien. Volgens een rapport van de UNHCR en Save the Children UK is er in een aantal landen in West Afrika sprake van kwalijke praktijken: aids workers van diverse NGO’s, maar ook soldaten en lokale overheden ‘verkopen’ het door het World Food Program aangeleverde (gratis) voedsel en kleren aan jonge meisjes in ruil voor seksuele handelingen. Over deze zaak is het laatste woord nog niet gezegd. Alle deelnemende groepen brachten een zorgvuldig opgesteld politiek plan, dat zo doorgesluisd kon worden naar de verantwoordelijke politieke personen in het land van herkomst.
Juist daarin onderscheidde de vijf dagen durende vergadering zich van andere bijeenkomsten op het gebied van vrouw en zorg: hier was geen sprake van een ’halen en brengen’ cultuur, maar van uitwisseling, activisme en betrokkenheid. Iedereen bleek bereid in de komende jaren stappen te zetten die wereldwijd de situatie van vrouwen en hun welzijn kunnen verbeteren.


deelneemster


Zeinabou Diakite
Zeinabou Diakite